ECLI:NL:RBDHA:2025:4055
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel na intrekking status Cyprus
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker heeft een verblijfsvergunning in Cyprus verkregen, waardoor zijn asielstatus is ingetrokken. Uit het Eurodac-systeem blijkt dat verzoeker statushouder is in Cyprus, hetgeen de minister als juist aanneemt.
Verzoeker betoogt dat de minister ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht bij de Cypriotische autoriteiten. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Cyprus niet in geschil is en dat de minister daarom terecht is uitgegaan van de gegevens uit Eurodac. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat inmiddels op het beroep is beslist en de voorlopige voorziening daarmee niet meer nodig is.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter Smitsmans en griffier Janssens en is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de minister terecht is uitgegaan van de Eurodac-gegevens en het beroep inmiddels is beslist.