De kantonrechter van de rechtbank Den Haag behandelde een verzoek om machtiging tot het beleggen van aan minderjarigen geschonken gelden onder een defensief beleggingsprofiel. De minderjarigen verblijven tijdelijk in Zwitserland vanwege de diplomatieke plaatsing van hun vader, maar hun gewone verblijfplaats blijft Nederland.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Verordening Brussel-II ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen Nederland is. Dit werd vastgesteld aan de hand van factoren zoals de tijdelijke aard van het verblijf in Zwitserland, het ontbreken van integratie in de lokale sociale en familiale omgeving, en het feit dat het gezin zich niet mag inschrijven in Zwitserland en verzekerings- en belastingplichtig blijft in Nederland.
De kantonrechter besloot dat het verzoek tot machtiging in het belang van de minderjarigen is en verleende de machtiging. Het Nederlandse recht is van toepassing. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te Den Haag, uitsluitend via een advocaat.