Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:4077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
25/456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onredelijk late indiening tegen niet tijdig UWV-besluit herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

De staatssecretaris van Defensie heeft op 4 mei 2022 een verzoek ingediend bij het UWV om herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een voormalig werknemer. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn beslist, waarna de eiser op 22 maart 2023 een ingebrekestelling stuurde. Deze werd door het UWV op 29 maart 2023 bevestigd.

Pas op 9 januari 2025 diende de eiser een beroepschrift in tegen het uitblijven van een beslissing, wat meer dan een jaar en tien maanden na de ingebrekestelling was. Tussen de ingebrekestelling en het contactmoment op 5 november 2024 ondernam de eiser geen actie om alsnog een besluit te verkrijgen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens onredelijk late indiening. Hierdoor wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Op 1 juni 2023 heeft het UWV een dwangsombeschikking afgegeven, maar een beslissing op het verzoek is nog niet ontvangen.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 26 februari 2025 zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2025 in de zaak tussen

De staatssecretaris van Defensie,

voor deze het Defensie Ondersteuningscommando te Utrecht,
eiser
(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: R. van den Brink).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet op tijd beslissen van het Uwv op zijn verzoek van 4 mei 2022 om herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wia van de heer [naam], een (voormalig) werknemer van eiser.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiser het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [1]
3. Op 4 mei 2022 heeft eiser zijn verzoek om herbeoordeling bij het Uwv ingediend. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiser op 22 maart 2023 een ingebrekestelling gestuurd aan het Uwv. Het Uwv heeft die ontvangst van die ingebrekestelling op 29 maart 2023 bevestigd.
Op 1 juni 2023 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven. Op 5 november 2024 heeft de casemanager contact opgenomen met het Uwv met het verzoek om nu alsnog een beslissing te nemen. Er is echter nog geen beslissing ontvangen.
4. Eiser heeft beroep ingesteld op 9 januari 2025. Dat is meer dan een jaar en tien maanden na het versturen van de ingebrekestelling op 22 maart 2023. Het enige contactmoment na de ingebrekestelling heeft plaatsgevonden op 5 november 2024. Dit betekent dat eiser vanaf de datum van ingebrekestelling tot het contactmoment op 5 november 2024 meer dan één jaar en acht maanden geen actie heeft ondernomen om een besluit op zijn verzoek om herbeoordeling te verkrijgen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel.