Uitspraak
zaaknummers: NL25.7874 en NL25.7875
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voerde aan dat overdracht naar Oostenrijk onredelijk hard zou zijn omdat zijn verloofde in Nederland een baan heeft gevonden en daardoor een toekomst in Nederland heeft. Hij verzocht de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat de minister discretionaire bevoegdheid geeft om asielaanvragen aan zich te trekken in bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die eiser aanvoert niet voldoende zijn om te spreken van een onevenredige hardheid die toepassing van artikel 17 rechtvaardigt Pro. De stelling dat de verloofde een baan heeft is niet voldoende voor een uitzondering op de overdracht. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.