ECLI:NL:RBDHA:2025:4267
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning gezinshereniging oudere broers jongvolwassenenbeleid
De zaak betreft het beroep van drie oudere broers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel gezinshereniging bij hun jongere broer, die als alleenstaande minderjarige vluchteling in Nederland verblijft.
De minister heeft de aanvragen afgewezen omdat de eisers niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen, aangezien zij al jaren in hun eigen onderhoud voorzien en niet langer behoren tot het gezin van hun ouders. Daarnaast is geoordeeld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die gezinsleven rechtvaardigen. De minister heeft de belangenafweging in het nadeel van eisers laten uitvallen, mede vanwege het ontbreken van noodzaak van hun aanwezigheid voor het gezin in Nederland en het economische belang van de Nederlandse staat.
De rechtbank oordeelt dat de minister deze besluiten zorgvuldig en met voldoende motivering heeft genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij financieel afhankelijk zijn van hun ouders of dat hun aanwezigheid essentieel is voor het gezin. Ook het beroep op het jongvolwassenenbeleid en de Gezinsherenigingsrichtlijn slaagt niet. De rechtbank bevestigt dat het contact op afstand kan worden voortgezet en dat hulp ook op andere manieren kan worden georganiseerd.
De belangen van het kind en het vluchtelingschap van de jongere broer zijn meegewogen, maar leiden niet tot een andere uitkomst. Het beroep wordt afgewezen en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van de drie oudere broers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning gezinshereniging wordt ongegrond verklaard.