Verzoekster diende op 3 mei 2023 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarop verzoekster op 15 januari 2024 beroep instelde tegen het niet-tijdig beslissen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 2 februari 2024 de aanvraag alsnog ingewilligd.
Naar aanleiding van het ingetrokken beroep verzocht verzoekster om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat verweerder geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog te besluiten en daarom de proceskosten aan verzoekster moet vergoeden.
De proceskosten werden vastgesteld op €453,50, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht', aangezien het beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van dit bedrag zonder zitting.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 19 maart 2025 te Middelburg en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.