ECLI:NL:RBDHA:2025:4369
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding redelijke termijn in zaak drugsproductie en witwassen
De rechtbank Den Haag behandelde een strafzaak tegen een verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de vervaardiging, handel en witwassen van grote hoeveelheden drugs, waaronder MDMA en metamfetamine, in de periode van 2016. De zaak kende een langdurige procedure met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.
De verdachte werd aangehouden in oktober 2016, maar de inhoudelijke behandeling vond pas in februari 2025 plaats, ruim meer dan zes jaar later dan de redelijke termijn van 24 maanden die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorschrijft. Zowel de officier van justitie als de verdediging stelden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding niet alleen aanzienlijk was, maar ook leidde tot een onherstelbare schending van het recht op een eerlijk proces. Dit vanwege de negatieve impact op de waarheidsvinding, de mogelijke achteruitgang van getuigenverklaringen en het feit dat het tijdsverloop het onderzoek en de bewijswaardering ernstig belemmerde.
Daarnaast speelde mee dat de verdachte een ondergeschikte rol leek te hebben, er geen directe slachtofferbelangen waren, en de verdachte sinds 2016 niet meer in aanraking was gekomen met justitie en niet meer in Nederland woonde. Gezien deze omstandigheden verloor het Openbaar Ministerie het recht tot vervolging.
De rechtbank verklaarde daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte, waarmee de strafzaak werd beëindigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van het recht op een eerlijk proces.