ECLI:NL:RBDHA:2025:456
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsprocedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. De minister had op 12 augustus 2024 het primaire besluit genomen en op 19 november 2024 het bezwaar van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar.
De voorzieningenrechter overweegt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een beroepsprocedure loopt tegen het besluit op bezwaar. Omdat dit niet het geval is, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure.