ECLI:NL:RBDHA:2025:457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
NL 24.26357
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken procesbelang na vertrek vreemdeling

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 16 januari 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker had dit verzoek ingediend, maar de voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker op 12 september 2024 naar zijn land van herkomst was vertrokken en het contact met zijn gemachtigde had verbroken.

De voorzieningenrechter overwoog dat deze feiten de veronderstelling rechtvaardigen dat verzoeker geen inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening meer verlangt. Omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat deze veronderstelling onjuist was, ontbrak het aan procesbelang.

Op grond hiervan werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26357

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [vnummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van 30 mei 2024.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft bij brief van 27 september 2024 de gemachtigde laten weten dat verzoeker op 12 september 2024 is vertrokken naar zijn land van herkomst.
1.3.
Gemachtigde heeft bij bericht van 9 oktober 2024 aangegeven dat het contact met verzoeker is verbroken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Nu verzoeker is vertrokken naar het land van herkomst en het contact met zijn gemachtigde heeft verbroken, geldt de veronderstelling dat verzoeker niet langer een inhoudelijk beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening verlangt. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat deze veronderstelling onjuist is en daarmee nog sprake is van procesbelang.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake meer is van procesbelang.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.