ECLI:NL:RBDHA:2025:4600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
AWB 22-3859
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:5 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken besluit en bezwaarschrift

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verzoeker heeft bij het verzoekschrift geen afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft en geen kopie van het bezwaarschrift overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker hierop bij aangetekende brief van 27 juni 2022 verzocht dit verzuim binnen twee weken te herstellen. Verzoeker heeft dit niet gedaan en heeft ook geen reden voor het verzuim gegeven.

Gezien het ontbreken van deze essentiële stukken is het voor de voorzieningenrechter onduidelijk waar het verzoek om voorlopige voorziening op ziet. Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S.E. van de Merbel op 12 maart 2025 en is zonder zitting bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het besluit en bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/3859

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Bij het verzoekschrift zijn het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en een kopie van het bezwaarschrift niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij aangetekende brief van 27 juni 2022 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen.
2.2.
Verzoeker heeft binnen die termijn geen afschrift van het besluit en kopie van het bezwaarschrift overgelegd. Het is niet duidelijk waar het verzoek om een voorlopige voorziening op ziet.
2.3.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2025 door mr. S.E. van de Merbel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
De uitspraak is bekend gemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.