Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
.I. Vugs).
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse nationaliteitdragende, diende op 22 juni 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde dat hij en zijn vader werden bedreigd door een machtige familie vanwege een salarisconflict, leidend tot een steekincident waarbij eiser vijf dagen in coma lag. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende bewijs.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de bewijsverplichtingen uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser leverde geen documenten aan die zijn verhaal konden staven, zoals politie- of ziekenhuisrapporten, en gaf geen bevredigende verklaring voor het ontbreken daarvan. Ook waren zijn verklaringen over de familie en de gebeurtenissen onvoldoende concreet en samenhangend.
De rechtbank vond dat verweerder terecht het relaas ongeloofwaardig achtte en dat er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade bij terugkeer bestond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid en onvoldoende bewijs.