Eiser kreeg bij besluit van 29 juli 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twintig jaar opgelegd nadat zijn Nederlanderschap was ingetrokken. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap.
De rechtbank stelde vast dat het beroep tegen de intrekking van het Nederlanderschap gegrond was en dat het besluit tot intrekking vernietigd en herroepen moest worden. Hierdoor mocht het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet worden gehandhaafd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep was overschreden met ruim negentien maanden, waarvoor de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- toekende aan eiser. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de bodemzaak inmiddels was beslist.
De rechtbank veroordeelde de Staat der Nederlanden tot betaling van de proceskosten en de schadevergoeding. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.