ECLI:NL:RBDHA:2025:4754
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening opvang op grond van Wmo 2015 wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, zonder vaste woon- of verblijfplaats, vroeg opvang voor zichzelf en zijn gezin op grond van de Wmo 2015 nadat hij en zijn gezin hun sociale huurwoning moesten verlaten. De aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag afgewezen omdat verzoeker voldoende zelfredzaam werd geacht en geen medische of andere problemen binnen het gezin waren vastgesteld.
Verzoeker stelde dat hij tot de doelgroep van de Wmo behoorde omdat het hem ondanks inkomen niet lukte een betaalbare woning te vinden en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Tevens werd een schending van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind aangevoerd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was omdat verzoekers gezin zich in Nigeria bevond en niet duidelijk was wanneer zij terug zouden keren. Ook was opvang in een hotel aangeboden, maar geweigerd. Het ontbreken van een acute situatie en het feit dat verzoeker zelfredzaam werd geacht, leidde tot de conclusie dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen.
De voorzieningenrechter besloot daarom niet inhoudelijk op het beroep te zullen beslissen en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.