De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot voortzetting van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor drie maanden. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling eerder verlengd tot 10 maart 2025 om een onderzoek door Veilig Thuis te laten plaatsvinden en de uitspraak van het Hof af te wachten.
Tijdens de zitting bleek dat de vader niet meewerkt aan het Veilig Thuis onderzoek en het contact met de gecertificeerde instelling volledig afhoudt, waardoor de ondertoezichtstelling feitelijk onuitvoerbaar is geworden. De gecertificeerde instelling acht de ondertoezichtstelling niet langer doelmatig en zelfs contraproductief. De moeder uitte grote zorgen over de veiligheid van de minderjarige bij de vader, maar deze zorgen zijn door het Hof gewogen zonder wijziging van het hoofdverblijf of omgangsregeling.
De kinderrechter concludeert dat ondanks langdurige hulpverlening de ouders niet in staat zijn hun belangen opzij te zetten ten behoeve van de minderjarige. Het onderzoek door Veilig Thuis zal zonder medewerking van de vader worden afgerond, maar voortzetting van de ondertoezichtstelling draagt hier niet aan bij. Daarom wordt het verzoek afgewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van rust en een stabiele thuissituatie voor de minderjarige en roept op tot monitoring van de situatie in het vrijwillige kader.