ECLI:NL:RBDHA:2025:4785
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 beoordeeld. Deze maatregel was eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 12 februari 2025. De rechtbank richt zich nu op de rechtmatigheid van de maatregel sinds dat moment.
Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede vanwege het ontbreken van reactie op de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank verwijst naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is geoordeeld dat er in het algemeen wel zicht is op uitzetting naar Algerije. Het uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten betekent niet dat geen zicht meer bestaat, aangezien enige tijd gegund moet worden voor afgifte en afhandeling.
Eiser voerde ook aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, onder meer omdat een vertrekgesprek van 25 februari 2025 niet in het dossier is opgenomen. De rechtbank neemt aan dat het gesprek niet heeft plaatsgevonden, maar ziet dit niet als reden om voortvarendheid te betwijfelen, mede omdat verweerder meerdere rappels heeft gestuurd aan de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank verzoekt wel het vertrekverslag alsnog toe te voegen.
De rechtbank ziet geen grond om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.