ECLI:NL:RBDHA:2025:4864
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen medewerking verkoop voormalig echtelijke woning ongegrond verklaard
Partijen zijn voormalig gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 18 april 2024 werd de woning aan de vrouw toebedeeld onder de voorwaarde dat zij deze binnen drie maanden kon overnemen met ontslag van de man uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien dit niet lukte, moest de woning aan een derde worden verkocht.
De vrouw slaagde er niet in binnen de gestelde termijn de woning over te nemen. De man vorderde daarop medewerking aan verkoop aan een derde, waarop de voorzieningenrechter bij verstekvonnis van 19 december 2024 de vrouw veroordeelde tot medewerking.
De vrouw stelde verzet in tegen dit verstekvonnis en vorderde vernietiging en afwijzing van de man zijn vorderingen. Zij stelde dat zij nog kans had de woning te financieren indien bepaalde omstandigheden veranderden. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend waren om uitstel van uitvoering te rechtvaardigen.
De grond in Suriname maakt geen onderdeel uit van de gemeenschap en de vrouw heeft geen vergoedingsrecht. Ook de alimentatiekwestie bood geen reden voor uitstel. Het belang van de man bij uitvoering van de beschikking weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij uitstel. Er is geen sprake van misbruik van recht door de man.
De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond, bekrachtigde het verstekvonnis en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzet van de vrouw wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis tot medewerking aan verkoop wordt bekrachtigd.