Eisers, met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, dienden herhaalde asielaanvragen in die door de minister van Asiel en Migratie als kennelijk ongegrond werden afgewezen. De minister handhaafde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank behandelde de beroepen en concludeerde dat het arrestatiebevel, als nieuw element ter onderbouwing van het asielmotief, niet op echtheid kon worden onderzocht en onvoldoende samenhangend was.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen individueel ambtsbericht heeft opgevraagd en dat de verklaringen van eisers niet aannemelijk en samenhangend waren. Het arrestatiebevel betrof andere delicten dan het kernmotief van het asielrelaas, waardoor het document niet als voldoende bewijs kon dienen. Daarnaast werd het voordeel van de twijfel niet toegekend, omdat eisers niet aannemelijk maakten waarom zij geen oproepen voor rechtszittingen ontvingen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, handhaafde het terugkeerbesluit en het inreisverbod, en wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak werd gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en griffier J. Dijkstra.