ECLI:NL:RBDHA:2025:4956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser is op 3 maart 2025 opgehouden door een ambtenaar op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze ophouding en betwistte het bewijs van strafrechtelijke heenzending, waarbij hij vroeg om feitelijke onderbouwing van het einde van het strafrechtelijk traject en het moment van heenzending.
De rechtbank oordeelde dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105a), dat op ambtseed is opgesteld en ondertekend, voldoende blijkt dat eiser op 3 maart 2025 om 11:00 uur strafrechtelijk is heengezonden en direct daarop is opgehouden. De minister verwees terecht naar een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank waarin dit tijdstip ook werd bevestigd.
De rechtbank concludeerde dat de ophouding niet onrechtmatig was en dat de beroepsgrond faalde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er is geen recht op schadevergoeding en ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard vanwege voldoende bewijs van strafrechtelijke heenzending en rechtmatigheid van de ophouding.