ECLI:NL:RBDHA:2025:4974
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, van Pakistaanse nationaliteit, vroeg op 16 januari 2024 een visum voor kort verblijf aan om bij haar dochter in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af wegens redelijke twijfel over haar voornemen om Nederland tijdig te verlaten, omdat onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan was aangetoond.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van deze afwijzing en concludeerde dat de minister zich op redelijke gronden kon baseren op het ontbreken van voldoende sociale binding. Hoewel eiseres stelde zorg te dragen voor haar kleinkinderen en samen te wonen met haar echtgenoot en meerderjarige kinderen, waren deze stellingen niet met bewijs onderbouwd. Ook de economische binding werd onvoldoende aannemelijk gemaakt, omdat eiseres haar werkzaamheden voor het taxibedrijf van haar echtgenoot niet met stukken ondersteunde.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht van een hoorzitting in de bezwaarfase kon afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en er geen nieuwe feiten waren ingebracht. Het verzoek om borgsom werd besproken maar niet gehonoreerd. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.