Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
heeft) gedaan;
van het Vb 2000)heeft gehouden;
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen en tegen het door de minister uitgevaardigde inreisverbod van twee jaar. De minister baseerde zijn besluit op het risico dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken, onder verwijzing naar artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij zowel zware als lichte gronden werden aangevoerd.
Eiseres voerde aan dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, dat onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke situatie, de lopende GVVA-aanvraag, het schrijnend tekort aan zorgpersoneel en dat het inreisverbod disproportioneel is. Ook stelde zij dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een onttrekkingsrisico en dat eiseres de juistheid van de gronden niet inhoudelijk heeft bestreden. De rechtbank verwierp de beroepsgronden over het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. Tevens stelde de rechtbank vast dat eiseres ten tijde van het terugkeerbesluit geen rechtmatig verblijf had.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S. Kompier.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.