Bij besluit van 3 maart 2025 legde de minister van Asiel en Migratie een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 17 maart 2025 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 19 maart 2025.
Eiser voerde onder meer aan dat de binnentreding onrechtmatig was omdat deze zonder zijn toestemming en tijdens de nachtrust plaatsvond, en dat vooraf niet was geklopt. De rechtbank oordeelde dat de binnentreding om 06:52 uur plaatsvond met een geldige machtiging, waarbij kloppen niet verplicht was vanwege aanwijzingen dat eiser mogelijk gevaarlijke voorwerpen bezat.
Verder betwistte eiser de zware gronden 3a (niet op voorgeschreven wijze binnengekomen) en 3k (weigering medewerking overdracht). De rechtbank stelde vast dat eiser zonder paspoort Nederland was binnengekomen en dat de overdracht op 5 februari 2025 niet plaatsvond omdat eiser onder invloed was, waardoor de zware gronden terecht aan de maatregel ten grondslag lagen.
Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn medische situatie, maar de rechtbank vond dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig was en dat geen minder ingrijpende maatregel doeltreffend was. Ook was er voldoende voortvarendheid in de overdracht aan Zwitserland. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.