Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 21 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een geuite asielwens. De minister hief de bewaring op op 28 februari 2025. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat eiser ten tijde van oplegging van de maatregel een asielwens had geuit, wat de rechtmatigheid van de bewaring op dat moment rechtvaardigde. De minister had voldoende zware gronden om de bewaring te dragen. Het argument van eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting was, werd verworpen op basis van vaste rechtspraak.
Wel oordeelde de rechtbank dat de minister de maatregel te laat had omgezet nadat eiser op 25 februari 2025 zijn asielaanvraag had ingetrokken. De minister had uiterlijk 27 februari 2025 de maatregel moeten omzetten, maar deed dit pas op 28 februari 2025, waardoor de bewaring een dag onrechtmatig voortduurde. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding van €100 toe en veroordeelde de minister in de proceskosten van €1.814.