ECLI:NL:RBDHA:2025:5221
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Koerdische Turkse nationaliteit wegens onvoldoende aannemelijkheid vervolgingsgevaar
Eiser, een Turkse Koerd, diende op 19 juni 2023 een asielaanvraag in nadat hij op 5 juni 2023 een terugkeerbesluit had ontvangen. Hij stelde vervolging te vrezen vanwege zijn Koerdische afkomst en vermeende registratie als landverrader. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat het asielmotief onvoldoende aannemelijk was en eiser zijn aanvraag niet tijdig had ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het vervolgingsgevaar onvoldoende aannemelijk acht. Hoewel discriminatie vanwege Koerdische afkomst wordt erkend, is niet gebleken dat dit leidt tot ernstige beperkingen van de leefomstandigheden of onmogelijkheid tot maatschappelijk functioneren. Eiser heeft verklaard voor niemand te vrezen en geen politieke activiteiten te hebben ontplooid.
Het beroep tegen het inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister dit besluit heeft ingetrokken. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser wegens de late intrekking van het inreisverbod. De aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een relatie.
De rechtbank bevestigt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat hij als landverrader wordt gezien en dat zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk is gemaakt. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarom in stand.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag af en verklaart het beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk.