Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:5233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
AWB 25/1782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 4:17 AwbArt. 2u VreemdelingenwetArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag van 9 april 2024 voor een machtiging voor voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten omdat partijen geen zitting wensten.

De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden heeft verlengd, maar daarna niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. Eiseres heeft de minister schriftelijk in gebreke gesteld, waarna alsnog geen besluit volgde. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn op van 90 dagen vanaf het moment dat de minister de aanvraag in behandeling neemt, te weten maart 2026, zodat uiterlijk 30 mei 2026 een besluit moet worden genomen. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- opgelegd voor overschrijding van deze termijn.

Omdat de minister na ingebrekestelling niet binnen twee weken heeft beslist, wordt een dwangsom van € 1.442,- vastgesteld. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden, inclusief het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister op uiterlijk 30 mei 2026 te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam] ,

V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

V-nummer: [nummer] ,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 9 april 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf voor verblijf in het kader van nareis.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voordat eiseres een beroep kan indienen tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag, moet eiseres schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat er binnen twee weken alsnog moet worden beslist (de ingebrekestelling). [2] Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan eiseres beroep indienen.
3. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [3] De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eiseres heeft daarna aan de minister laten weten dat zij alsnog binnen twee weken moet beslissen. De zogenoemde ingebrekestelling. Hierop heeft de minister geen besluit genomen, waarna eiseres een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024 [4] geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eiseres in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eiseres in maart 2026 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 30 mei 2026 een beslissing op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
5. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 30 mei 2026 een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. [5] Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
6. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-. [6] Dat is het maximale bedrag.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister voor
30 mei 2026 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen.
8. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. [7] De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om vóór 30 mei 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • stelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-.
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw).
5.Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 4:17 van Pro de Awb.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde/advocaat verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.