De rechtbank Den Haag heeft op 31 maart 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte geboren in 1985. De verdachte werd beschuldigd van brandstichting, bedreiging en wederrechtelijk binnendringen van een woning. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het onderdeel poging brandstichting en van het gevaar voor levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel, maar verklaarde hem schuldig aan voltooide brandstichting, bedreiging met een misdrijf tegen het leven en het wederrechtelijk binnendringen van een woning.
De feiten betreffen het opzettelijk aansteken van kunstbloemen in een woning te Oegstgeest op 30 september 2024, waarbij meerdere goederen beschadigd raakten. Tevens bedreigde de verdachte zijn voormalige partner via e-mails en drong hij zonder toestemming haar woning binnen. De verdachte bekende de feiten en de rechtbank achtte het bewezen op basis van onder meer proces-verbalen en de bekennende verklaring.
De rechtbank hield rekening met de psychische problematiek van de verdachte, waaronder een hechtingsstoornis en antisociale persoonlijkheidsstoornis, en het gebruik van verdovende middelen. Hierdoor werd de toerekeningsvatbaarheid verminderd. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 136 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, verlengde de proeftijd met één jaar en voegde voorwaarden toe zoals een locatieverbod en verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang na klinische opname.
De rechtbank achtte de straf passend gelet op de ernst van de feiten, het recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De voorwaarden worden dadelijk uitvoerbaar verklaard om het toezicht te waarborgen en recidive te voorkomen.