ECLI:NL:RBDHA:2025:5327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
NL25.1296
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbVerdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening faciliterend visum wegens ontbreken onverwijlde spoed

De minister van Buitenlandse Zaken wees op 27 december 2024 de aanvraag van verzoeker voor een faciliterend visum af. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om zo spoedig mogelijk naar Nederland te kunnen reizen en bij zijn zoon te zijn.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2025. Verzoeker werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. De minister gaf aan dat het bezwaar binnen de beslistermijn tot 25 mei 2025 zou worden afgehandeld.

De voorzieningenrechter overwoog dat onverwijlde spoed vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De omstandigheden, waaronder het gemiste moment van de diploma-uitreiking van de zoon en het ontbreken van een medische noodsituatie, boden geen aanleiding tot spoed. Ook het overlijden van de broer en de naderende leeftijd van de zoon waren onvoldoende.

Daarnaast was niet aannemelijk dat het primaire besluit ernstige rechtmatigheidsgebreken vertoonde die onmiddellijke herroeping vereisten. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en het ontbreken van evidente ernstige rechtmatigheidsgebreken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1296

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. M. Verzijden).

Procesverloop

1. De minister heeft met het besluit van 27 december 2024 de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 9 januari 2025 bezwaar gemaakt en op diezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, zijn partner en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag te betalen. Verzoeker wordt daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een faciliterend visum met als doel Nederland te kunnen inreizen om bij zijn zoon te kunnen zijn. Hij betoogt daarvoor in aanmerking te komen op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [1] en het Chavez-Vilchez arrest [2] . Verzoeker heeft daarbij een aantal stukken overgelegd.
2.1.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister hem behandelt als ware hij in het bezit van een faciliterend visum, ervoor te zorgen dat verzoeker zo spoedig mogelijk naar Nederland kan reizen en binnen één maand aan hem een faciliterend visum verstrekt. Ook verzoekt hij de minister te veroordelen in de proceskosten.
3. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat te verwachten is dat een besluit op bezwaar genomen zal worden binnen de beslistermijn, die op 25 mei 2025 eindigt.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af en overweegt daartoe het volgende.
4.1.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende de bezwaarfase een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de door verzoeker gestelde belangen geen omstandigheden zijn gelegen die maken dat sprake is van onverwijlde spoed om gedurende de bezwaarfase nog een voorlopige voorziening te treffen. De enkele wens van verzoeker om bij zijn zoon te zijn is in dit verband niet voldoende. Verzoeker heeft erop gewezen dat zijn zoon geslaagd is en dat op [datum 1] de diploma-uitreiking is, maar deze datum is inmiddels verstreken. Bovendien is de door de rechtbank aan verzoeker geboden mogelijkheid om de zitting eerder, voorafgaand aan [datum 2] te doen plaatsvinden, niet benut. Door verzoeker zijn ook geen andere zwaarwegende belangen, zoals bijvoorbeeld een medische noodsituatie, aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de partner van verzoeker waarschijnlijk op [datum 3] een operatie zal ondergaan, is in dit verband ook onvoldoende, te meer dat niet aannemelijk is gemaakt dat de inmiddels [leeftijd 1] zoon alsdan in een noodsituatie zal komen te verkeren en de aanwezigheid van verzoeker in dat verband noodzakelijk zou zijn. In de omstandigheid dat de broer onlangs is overleden en de zoon in [leeftijd 2] wordt, is evenmin onverwijlde spoed gelegen.
4.3.
Wanneer er geen sprake is van enige onverwijlde spoed, treft de voorzieningenrechter hangende de bezwaarfase alleen een voorlopige voorziening als op voorhand meteen duidelijk is dat aan het primaire besluit dermate evidente ernstige rechtmatigheidsgebreken kleven die maken dat er maar één conclusie mogelijk is, dat in de bezwaarfase het primaire besluit moet worden herroepen. Daarvan is in deze zaak niet op voorhand gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als geheel af.
6. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.