De minister van Buitenlandse Zaken wees op 27 december 2024 de aanvraag van verzoeker voor een faciliterend visum af. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om zo spoedig mogelijk naar Nederland te kunnen reizen en bij zijn zoon te zijn.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2025. Verzoeker werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. De minister gaf aan dat het bezwaar binnen de beslistermijn tot 25 mei 2025 zou worden afgehandeld.
De voorzieningenrechter overwoog dat onverwijlde spoed vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De omstandigheden, waaronder het gemiste moment van de diploma-uitreiking van de zoon en het ontbreken van een medische noodsituatie, boden geen aanleiding tot spoed. Ook het overlijden van de broer en de naderende leeftijd van de zoon waren onvoldoende.
Daarnaast was niet aannemelijk dat het primaire besluit ernstige rechtmatigheidsgebreken vertoonde die onmiddellijke herroeping vereisten. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.