ECLI:NL:RBDHA:2025:5455
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wijziging verblijfscode na intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde
Verzoeker heeft bij verweerder verzocht om zijn verblijfscode te wijzigen van 98 (vervallen verblijfsrecht derdelander) naar 33 (rechtmatig verblijf), omdat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Verzoeker stelt dat het bezwaar schorsende werking heeft en dat de toekenning van verblijfscode 98 leidt tot ernstige belemmeringen in zijn bestaan en psychische klachten.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 73, tweede lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 het bezwaar tegen intrekking van een verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde geen opschortende werking heeft. Verzoekers bezwaar leidt dus niet tot wijziging van de verblijfscode. Het betoog dat de verblijfscode 98 onrechtmatig is vanwege het evenredigheidsbeginsel en het ne bis in idem-beginsel wordt verworpen, omdat verzoeker dit onvoldoende heeft onderbouwd.
De voorzieningenrechter stelt dat de gevolgen voor verzoeker voortvloeien uit het intrekkingsbesluit zelf en niet uit de verblijfscode. Willekeur is niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om wijziging van de verblijfscode wordt afgewezen omdat het bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning geen schorsende werking heeft.