AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit afwijzing uitstel van vertrek en afwijzing voorlopige voorziening
Verzoeker heeft bij de minister een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. De minister wees dit primaire verzoek op 3 oktober 2022 af. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar tegen deze afwijzing op 1 oktober 2024 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Omdat het beroep gegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening toe te kennen en wijst het verzoek daarom af.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/15345
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2025 in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vw [1] afgewezen.
1.1.
De minister heeft bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep [2] ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Overwegingen
2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [3] kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Aangezien de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is op 2 april 2025 gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.