Eiser, een Myanmarese asielzoeker, diende op 23 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser eerder een asielverzoek in Duitsland had ingediend.
Eiser voerde aan dat zijn vrouw en kind in Nederland wonen en dat zijn vrouw vanwege mentale problemen afhankelijk is van zijn zorg. Hij onderbouwde dit met recente medische verklaringen en een uitspraak van de kinderrechter die de tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen bevestigt. Eiser woont inmiddels bij zijn vrouw en ondersteunt haar en de kinderen.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze gezinsbanden en afhankelijkheid en dat de nieuwe informatie aanleiding geeft voor heroverweging. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, waarbij alle omstandigheden worden betrokken.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep nu is behandeld. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.