ECLI:NL:RBDHA:2025:5503
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken
Eiser had een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling werd genomen omdat Polen verantwoordelijk was voor de behandeling. De minister verlengde de overdrachtstermijn tot achttien maanden omdat eiser niet aanwezig was bij de geplande overdracht en vermoedelijk onderdook.
Eiser stelde dat hij zich niet doelbewust buiten bereik van de autoriteiten hield, verwees naar jurisprudentie en voerde dat hij niet was gewaarschuwd voor gevolgen van afwezigheid. Ook stelde hij dat de verlenging onevenredige gevolgen had en in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank onderzocht of eiser nog procesbelang had, gelet op het feit dat hij met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde verklaarde dat er nog contact was en dat eiser nog prijs stelde op bescherming, zodat het beroep inhoudelijk werd behandeld.
De rechtbank oordeelde dat eiser de overdracht doelbewust had gefrustreerd door zonder mededeling zijn woonruimte te verlaten, waardoor sprake was van onderduiken conform artikel 29 Dublinverordening Pro. De stelling van eiser dat hij zelfstandig naar Polen reisde werd niet onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de verlenging van de overdrachtstermijn bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Polen wegens onderduiken is ongegrond verklaard.