Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:5515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2025
Publicatiedatum
2 april 2025
Zaaknummer
NL25.12913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 VwArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortzetting bewaring wegens te late omzetting na afwijzing asielaanvraag

Eiser werd op 5 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Zijn asielaanvraag werd op 9 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarna de beroepstermijn op 16 maart 2025 eindigde. Verweerder heeft de maatregel van bewaring pas op 20 maart 2025 opgeheven, twee dagen later dan toegestaan.

De rechtbank constateert dat het vooronderzoek in de procedure te laat werd gesloten, maar dit leidde niet tot belangenverlies voor eiser omdat de uitspraak binnen een redelijke termijn volgde. De kern van het geschil betreft de te late omzetting van de bewaring na afloop van de beroepstermijn.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de bewaring vanaf 18 maart 2025 onrechtmatig voortduurde en kent een schadevergoeding toe van €200,- voor twee dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van €907,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van €200,- toe wegens twee dagen te late omzetting van de bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12913

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 20 maart 2025 opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 27 maart 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 maart 2025 (in de zaak NL25.7396) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 26 februari 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 februari 2025.
2. De rechtbank merkt allereerst ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 19 maart 2025 ingediend. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 26 maart 2025 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter pas op 27 maart 2025 gesloten. Gelet hierop is de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw overschreden.
2.1.
De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw is in dit geval deels aan de rechtbank toe te wijzen doordat zij verweerder pas op 25 maart 2025 per ommegaande een reactie op de beroepsgronden heeft gevraagd. Verweerder heeft deze reactie op 27 maart 2025 ingediend, waarna eiser hier desgevraagd op 27 maart 2025 op heeft gereageerd. Niettemin is er sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de rechtbank uitgaat van een periode van 21 dagen tussen het instellen van het beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit. [1] Aangezien deze termijn niet is overschreden ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring reeds hierom onrechtmatig te achten. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat zij uitspraak doet op het vervolgberoep binnen een week nadat zij het vooronderzoek op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had moeten sluiten. [2] Dit betekent dat eiser als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen is geschaad.
Omzetting van de maatregel
3. Eiser voert aan dat de bewaringsmaatregel van 5 februari 2025 te laat is omgezet. Op 9 maart 2025 heeft eiser een beschikking ontvangen waarin zijn asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. De termijn voor het indienen van beroep eindigde op 16 maart 2025, zodat verweerder uiterlijk 18 maart 2025 de maatregel had moeten opheffen. Dit is pas op 20 maart 2025 gebeurd. Eiser meent dan ook recht te hebben op 2 dagen schadevergoeding.
3.1.
Verweerder is bereid schade te vergoeden voor de periode vanaf 19 maart 2025 tot 20 maart 2025.
3.2.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt. Eisers asielaanvraag is bij besluit van 9 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. De termijn voor het instellen van beroep verstreek 16 maart 2025 (aan het eind van de dag). Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen een week beroep in te stellen, waardoor de werking van de asielbeschikking (slechts) wordt opgeschort totdat de rechtsmiddelentermijn is verstreken [3] . Vanaf het aflopen van de beroepstermijn had verweerder maximaal twee dagen om de grondslag van de maatregel te wijzigen. [4] Verweerder had de maatregel uiterlijk op 18 maart 2025 moeten opheffen of omzetten. Omdat verweerder de maatregel pas op 20 maart 2025 heeft omgezet, is eiser onrechtmatig in bewaring gehouden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen voor de twee dagen waarop eiser ten onrechte van zijn vrijheid benomen is geweest. Per dag dat hij in het detentiecentrum heeft verbleven krijgt eiser € 100,-. De schadevergoeding bedraagt dus € 200,-.
4. De rechtbank ziet geen reden om de bewaring op enig moment voor 18 maart 2025 onrechtmatig te achten.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen voor een bedrag van € 200,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 januari 2003, nr. 55263/00 (Kadem v. Malta).
2.Artikel 96, tweede lid, van de Vw.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2245.