ECLI:NL:RBDHA:2025:5560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
24.49126
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen verlening verblijfsvergunning op b-grond wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarbij hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft tevens gemotiveerd waarom geen vergunning op de a-grond is verleend.

De rechtbank heeft eiser verzocht zijn procesbelang toe te lichten, maar eiser heeft niet gereageerd. Volgens vaste rechtspraak bestaat geen belang bij beroep als reeds een geldige vergunning op de b-grond is verleend. Dit belang kan pas ontstaan bij intrekking of niet-verlenging van die vergunning.

Omdat eiser niet heeft toegelicht waarom een vergunning op de a-grond gunstiger zou zijn, oordeelt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier Berendsen, zonder zitting.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de verblijfsvergunning op de b-grond wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 31 januari 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd naar zijn procesbelang bij een beoordeling van het beroep. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
1.1.
Omdat het beroep niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft bij het bestreden besluit aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (de b-grond), met ingang van 20 oktober 2023 geldig tot 20 oktober 2028. In het bestreden besluit heeft de minister ook gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (de a-grond).
3. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op de a-grond heeft verleend.
4. De rechtbank heeft eiser gevraagd toe te lichten wat zijn belang is bij het instellen van beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2016. [2] Eiser heeft hierop niet gereageerd.
5. Volgens vaste rechtspraak moet ervan worden uitgegaan dat als aan een vreemdeling een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is verleend, er geen belang bestaat voor de vreemdeling bij het instellen van een beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit, zolang de verleende vergunning geldig is. [3] Dit belang kan wel ontstaan als de vergunning op enig moment zou worden ingetrokken of niet verlengd. Op dat moment zal ook een oordeel gevraagd kunnen worden aan de rechter over het feit dat de minister geen vergunning op de a-grond heeft willen verlenen en over de motivering van die beslissing.
6. Gelet op deze rechtspraak heeft eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij met een verblijfsvergunning op de a-grond in een gunstiger positie zal komen dan bij een verblijfsvergunning op de b-grond. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.ABRvS 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625.
3.ABRvS 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625.