Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, werd na een strafrechtelijke detentie van drie dagen op 27 maart 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
Eiser betoogde dat de minister van Asiel en Migratie zijn inspanningsverplichting had geschonden door tijdens zijn strafrechtelijke detentie geen vertrekvoorbereidende handelingen te verrichten, waardoor de duur van de bewaring onnodig lang zou zijn. De rechtbank oordeelde dat gezien het korte tijdsbestek tussen detentie en bewaring geen sprake was van een schending van deze verplichting.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel toegepast had kunnen worden, omdat hij bereid was mee te werken aan zijn vertrek en ook naar een ander land dan Polen zou kunnen vertrekken. De rechtbank stelde vast dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat het risico op onttrekking met een lichter middel niet adequaat kon worden ondervangen. Het feit dat eiser eerder was uitgezet naar Polen en binnen korte tijd terugkeerde, versterkte dit oordeel.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.