Verzoeker stelde beroep in tegen de afwijzing van de afgifte van een verblijfssticker, maar trok dit beroep later in met het verzoek om proceskostenvergoeding. De minister verzette zich niet tegen dit verzoek. De rechtbank oordeelde dat bij intrekking van een beroep vanwege gedeeltelijke tegemoetkoming door het bestuursorgaan, proceskosten kunnen worden toegewezen.
De proceskosten bestaan uit de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht, die de minister moet vergoeden. Verzoeker had ook reiskosten opgevoerd, maar deze worden niet als proceskosten beschouwd omdat de kosten niet gemaakt zijn voor het bijwonen van een zitting, maar voor een afspraak voor een verblijfsaantekening.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten en € 194 aan griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter W.P.C.G. Derksen zonder zitting.