De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring en het opgelegde inreisverbod door de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 17 maart 2025 deze maatregelen opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met als motief het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.
Eiser betwistte alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag lagen, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende en feitelijk juiste gronden had aangevoerd, die ook voldoende waren gemotiveerd. Het beroep op het arrest Chavez-Vilchez faalde omdat eiser zijn gezinsleven met een Nederlandse vriendin en kind niet tijdig had gemeld en onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht niet volstond met een lichter middel en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep tegen het inreisverbod faalde eveneens. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.