Eiser, van Ghanese nationaliteit, werd op 6 maart 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht omdat hij geen schriftelijke informatie in zijn moedertaal Twi ontving, maar alleen in het Engels en Nederlands. De rechtbank stelde vast dat dit een gebrek vormde, maar dat dit gebrek niet zwaarder woog dan de belangen van de minister bij de bewaring.
Eiser betwistte alle zware en lichte gronden voor de bewaring, maar de rechtbank oordeelde dat de minister terecht de gronden hanteerde dat eiser Europa niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich onttrok aan het toezicht door pas na een jaar een asielaanvraag te doen. De overige gronden liet de rechtbank onbesproken omdat de genoemde gronden voldoende waren.
Eiser stelde dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, omdat hij asiel wilde aanvragen en geen antecedenten had. De rechtbank verwierp dit standpunt, omdat uit het gehoor bleek dat eiser niet bereid was Europa vrijwillig te verlaten en terug te keren naar Ghana. De minister had voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.