ECLI:NL:RBDHA:2025:5840

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
9 april 2025
Zaaknummer
09/767340-20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van wetenschap criminele herkomst gelden bij gewoontewitwassen

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van gewoontewitwassen van diverse geldbedragen gestort op gezamenlijke en eigen rekeningen in de periode 2015-2019.

De officier van justitie vorderde een integrale bewezenverklaring, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank stelde vast dat verdachte toegang had tot de gezamenlijke rekening, maar niet actief beheer voerde en dat haar echtgenoot de financiële zaken regelde. Verdachte verklaarde dat zij door haar echtgenoot was voorgelogen over de herkomst van het geld, dat zogenaamd uit consultancy-inkomsten bestond.

De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden crimineel waren verkregen. Ook de contante stortingen op haar eigen rekening werden verklaard als schenkingen van familieleden, een verklaring die concreet en niet onwaarschijnlijk was. Het verzoek om familieleden als getuigen te horen werd afgewezen, maar dit mocht niet tegen verdachte worden gebruikt.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak zij verdachte vrij van gewoontewitwassen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat zij wist of moest vermoeden dat de gelden crimineel waren verkregen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/767340-20
Datum uitspraak: 10 april 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] (Frankrijk),
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 en 6 maart 2025 (inhoudelijke behandeling) en 3 april 2025 (sluiten onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Gijsberts naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 april 2015 tot en met 31 december 2019, te Den Haag, althans in Nederland
tezamenen in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten:
- een of meer geldbedragen van in totaal € 107.335 contant gestort op de rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] e/o [medeverdachte] en/of
- een of meer geldbedragen van in totaal € 20.000 contant gestort op de rekening
[rekeningnummer 2] t.n.v. [verdachte] en/of
- een geldbedrag van € 5.500 vanaf de rekening [rekeningnummer 3] t.n.v. [naam] / [bedrijfsnaam 1] B.V. gestort op de rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] e/o [medeverdachte] en/of
- een of meer geldbedragen van in totaal € 24.998,75 vanaf de rekening [rekeningnummer 4] t.n.v. [bedrijfsnaam 2] B.V. gestort op de rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] e/o [medeverdachte] en/of
- een geldbedrag van € 12.500 vanaf de rekening [rekeningnummer 5] t.n.v. [bedrijfsnaam 3] B.V. gestort op de rekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] e/o [medeverdachte] , heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of heeft gebruikt, terwijl zij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, al dan niet terwijl zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte primair op het standpunt gesteld dat zij integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde en subsidiair dat niet het totale tenlastegelegde bedrag kan worden bewezen.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van geldbedragen, zoals genoemd in de tenlastelegging, die zijn gestort op een gezamenlijke bankrekening van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: haar partner). Dit gebeurde op verschillende momenten over een periode van ruim vier jaren. Daarnaast heeft de verdachte zelf een groot bedrag op haar eigen rekening gestort.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan witwassen moet komen vast te staan dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de criminele herkomst van de geldbedragen of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een dergelijke herkomst. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat zij toegang had tot de gezamenlijke rekening, maar dat zij deze rekening niet actief beheerde. Het was haar echtgenoot die de financiële zaken in het gezin regelde. Zij heeft wel eens navraag bij hem gedaan over de herkomst van gestorte geldbedragen, waarop hij haar heeft gezegd dat het om bijverdiensten uit verrichte consultancy-werkzaamheden (naast zijn dienstbetrekking bij de gemeente Den Haag) ging. Deze verklaring van de verdachte vindt in algemene zin steun in verklaringen van haar echtgenoot.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de geldbedragen die door de bedrijven [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. op de gezamenlijke bankrekening zijn gestort kan worden aangenomen dat de verdachte – voor zover zij daarvan al wetenschap had – geen aanleiding had om te veronderstellen dat deze bedragen mogelijk een criminele herkomst hadden. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen te concluderen dat de verdachte ten aanzien van deze gelden redenen had om geen genoegen te nemen met de uitleg van haar echtgenoot of daaraan te twijfelen.
Met betrekking tot de stortingen van contante bedragen op de gezamenlijke bankrekening overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel het gaat om een aanzienlijk bedrag, zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde op de hoogte was van de criminele herkomst van deze gelden. De rechtbank heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende kunnen vaststellen in hoeverre en in welke mate de verdachte wist van specifieke contante stortingen en onttrekkingen van gelden op de gezamenlijke bankrekening. De omstandigheid dat haar salaris op de gezamenlijke bankrekening werd gestort, dat zij op enig moment het saldo van de bankrekening checkte en dat zij één keer (mede namens haar partner) aan de bank informatie heeft gegeven over de herkomst van (door)gestorte bedragen, kunnen volgens de rechtbank niet tot een andere conclusie leiden. De rechtbank betrekt hierbij de omstandigheid dat de verdachte kennelijk door haar partner werd voorgelogen over de herkomst van geldbedragen. Hooguit kan met reden worden gesteld dat de verdachte een wat passieve houding aan de dag heeft gelegd ten aanzien van de financiële geldstromen op de gezamenlijke bankrekening. Dit maakt echter nog niet dat daarmee buiten gerede twijfel is vast komen te staan dat zij ten tijde van het tenlastegelegde in strafrechtelijke zin wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de betreffende gelden een criminele herkomst hadden.
Tot slot staat niet ter discussie dat de verdachte in juni en juli 2019 zelf in totaal 20.000 euro op haar eigen bankrekening heeft gestort. Zij heeft hierover verklaard dat dit de totaalsom van spaargelden betrof die door de familie van haar echtgenoot (verdeeld over een jarenlange periode) is geschonken en dat zij het bedrag op haar bankrekening heeft gestort omdat zij het op enig moment onprettig vond om een dergelijke hoeveelheid contant geld thuis te hebben liggen.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover ten aanzien van deze contante stortingen al een relatie kan worden gelegd met de betaling van valse facturen door de gemeente Den Haag, kan de rechtbank ook voor deze bedragen niet vaststellen dat de verdachte wist of moest vermoeden dat het om gelden met een criminele herkomst ging. Er is, gelet op de hoogte van de bedragen en de omstandigheid dat het gaat om contante stortingen, hooguit sprake van een rechtsvermoeden, zodat volgens vaste rechtspraak van de verdachte kan worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit blijkt dat de geldbedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn. In dit opzicht acht de rechtbank de verklaring van de verdachte over de schenkingen door familieleden concreet en niet hoogst onwaarschijnlijk. Haar verklaring was ook – tot op zekere hoogte – verifieerbaar. Namens de verdachte is immers eerder verzocht om familieleden als getuige te kunnen horen, zodat deze haar verklaring op dit punt zouden kunnen bevestigen of ontkrachten. Dit verzoek is afgewezen en bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen dat haar verklaring niet verifieerbaar is.

4.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2025.