Uitspraak
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
[vergunninghoudster] B.V.uit Den Haag, vergunninghoudster
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een kozijn aan de achterzijde van de kelder en een koekoek in de achtertuin van een pand. Het college had het primaire besluit op 4 juli 2024 genomen en bij het bestreden besluit van 21 oktober 2024 het bezwaar van eisers afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 april 2025 behandeld en direct uitspraak gedaan. Eisers voerden aan dat de risicomatrix bij de aanvraag ontbrak of onvolledig was, met name omdat geen rekening was gehouden met de instabiliteit van een historische tuinmuur op de erfgrens. De voorzieningenrechter stelde vast dat de risicomatrix inmiddels was aangeleverd en dat er geen grond was om deze onjuist of onvolledig te achten.
Verder oordeelde de voorzieningenrechter dat de gevolgen van de graafwerkzaamheden voor de tuinmuur geen onderdeel uitmaken van het toetsingskader voor de vergunning en dat eventuele schade een privaatrechtelijke kwestie is. Omdat eisers niet aannemelijk maakten dat niet aan de bouwregels was voldaan, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.