Eiser, een Turkse onderdaan, diende op 28 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste dat sinds 1 oktober 2022 ook voor Turkse onderdanen geldt. Eiser betwistte dit beleid en stelde dat het mvv-vereiste in strijd is met het Turkse associatierecht en discriminerend is ten opzichte van andere nationaliteiten.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van 1 november 2024 waarin werd geoordeeld dat het zelfstandige mvv-vereiste een geldige wettelijke basis heeft, een nieuwe beperking vormt die gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk het effectief beheer van migratiestromen. Ook werd vastgesteld dat het beleid geschikt, noodzakelijk en evenredig is om illegale arbeid en verblijf tegen te gaan. Het discriminatieverweer faalde omdat de uitzonderingen voor bepaalde landen gebaseerd zijn op economische en internationale betrekkingen.
Eiser voerde diverse argumenten aan over de noodzaak, geschiktheid en evenredigheid van het beleid, waaronder het geringe aantal goedgekeurde aanvragen en het ontbreken van een harde toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank verwierp deze bezwaren en bevestigde dat het mvv-vereiste een legitiem en proportioneel middel is. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie werden niet nodig geacht. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.