ECLI:NL:RBDHA:2025:5865
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting naar Marokko
De minister legde op 23 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, stellende dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestond en dat onvoldoende voortvarend aan uitzetting werd gewerkt.
De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 7 februari 2025 de maatregel rechtmatig was. Uit de stukken bleek dat op 31 januari 2025 een laissez-passer traject was gestart, maar dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hadden gereageerd. Dit leidde niet tot het oordeel dat zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank wees op jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser niet actief en volledig meewerkte aan zijn uitzetting, bijvoorbeeld door geen acties te ondernemen om de lp-aanvraag te bespoedigen en zich niet in te schrijven voor vrijwillige terugkeer. De minister had voldoende voortvarend gehandeld door herhaaldelijk contact met de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser te voeren.
De rechtbank concludeerde dat de duur van de bewaring onder deze omstandigheden niet onevenredig was en dat er geen reden was om een lichter middel toe te passen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.