ECLI:NL:RBDHA:2025:5865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2025
Publicatiedatum
9 april 2025
Zaaknummer
NL25.13627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting naar Marokko

De minister legde op 23 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, stellende dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestond en dat onvoldoende voortvarend aan uitzetting werd gewerkt.

De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 7 februari 2025 de maatregel rechtmatig was. Uit de stukken bleek dat op 31 januari 2025 een laissez-passer traject was gestart, maar dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hadden gereageerd. Dit leidde niet tot het oordeel dat zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank wees op jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.

Verder stelde de rechtbank vast dat eiser niet actief en volledig meewerkte aan zijn uitzetting, bijvoorbeeld door geen acties te ondernemen om de lp-aanvraag te bespoedigen en zich niet in te schrijven voor vrijwillige terugkeer. De minister had voldoende voortvarend gehandeld door herhaaldelijk contact met de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser te voeren.

De rechtbank concludeerde dat de duur van de bewaring onder deze omstandigheden niet onevenredig was en dat er geen reden was om een lichter middel toe te passen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13627

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. De minister heeft op 23 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij is niet verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen op de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 februari 2025 [2] (in de zaak NL25.3713) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 februari 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
Beroepsgronden van eiser
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting bestaat en dat onvoldoende voortvarend aan de uitzetting wordt gewerkt.
Oordeel van de rechtbank
6. De beroepsgronden slagen niet. Een inbewaringstelling is in strijd met artikel 59 van Pro de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [3] van 8 augustus 2023 en 19 november 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [4]
6.1.
In de zaak van eiser is op 31 januari 2025 een lp [5] -traject opgestart. Dat de Marokkaanse autoriteiten hierop tot op heden nog niet hebben gereageerd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er in het geval van eiser geen sprake meer is van zicht op uitzetting. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Marokko aan eiser geen lp binnen een redelijke termijn zou kunnen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.
6.2.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Daarvan is niet gebleken. Onder verwijzing naar het vertrekgesprek van 19 maart 2025 stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar heeft aangegeven dat hij wil terugkeren naar Marokko, maar dat hij geen acties heeft ondernomen om de lp-aanvraag te bespoedigen. Ook blijkt uit het verslag van voornoemd vertrekgesprek en uit de voortgangsrapportage dat eiser akkoord is gegaan met een bezoek van het IOM, maar dat hij zich niet heeft ingeschreven voor vrijwillige terugkeer. Dat de bewaring daardoor langer duurt komt dan ook voor rekening en risico van eiser. De duur van de bewaring geeft op dit moment onder de genoemde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat deze onevenredig lang voortduurt.
6.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft tweemaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 20 maart 2025. Daarnaast heeft de minister een tweetal vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Deze handelingen zijn te kwalificeren als uitzettingshandelingen.
7. De rechtbank stelt vast dat zij in de hiervoor onder 4. genoemde uitspraak van 13 februari 2025 reeds heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het opleggen van een lichter middel. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in onderhavige procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat op dit moment wel met een lichter middel moet worden volstaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2025 door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Laissez-passer.