ECLI:NL:RBDHA:2025:5873
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen WIA-uitkeringsbesluit
Eiser ontving op 5 juni 2024 een besluit dat hij geen WIA-uitkering zou ontvangen omdat hij voor het einde van de wachttijd hersteld was gemeld. Hiertegen maakte eiser bezwaar, dat op 17 juli 2024 werd afgewezen. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.
Tijdens het beroep nam verweerder op 11 februari 2025 een nieuw besluit waarin de bezwaren van eiser gegrond werden verklaard en eiser vanaf 7 maart 2024 recht had op een Ziektewet-uitkering, waarmee de wachttijd voor de WIA-uitkering werd voltooid. Hierdoor trok eiser het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder geen bezwaar had tegen de proceskostenvergoeding en wees het verzoek van eiser toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 907,- voor de verleende rechtsbijstand en verweerder werd tevens gewezen op de verplichting tot vergoeding van het griffierecht van € 51,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 26 maart 2025.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 907,- na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.