Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:5873

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
9 april 2025
Zaaknummer
24/7344
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen WIA-uitkeringsbesluit

Eiser ontving op 5 juni 2024 een besluit dat hij geen WIA-uitkering zou ontvangen omdat hij voor het einde van de wachttijd hersteld was gemeld. Hiertegen maakte eiser bezwaar, dat op 17 juli 2024 werd afgewezen. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.

Tijdens het beroep nam verweerder op 11 februari 2025 een nieuw besluit waarin de bezwaren van eiser gegrond werden verklaard en eiser vanaf 7 maart 2024 recht had op een Ziektewet-uitkering, waarmee de wachttijd voor de WIA-uitkering werd voltooid. Hierdoor trok eiser het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder geen bezwaar had tegen de proceskostenvergoeding en wees het verzoek van eiser toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 907,- voor de verleende rechtsbijstand en verweerder werd tevens gewezen op de verplichting tot vergoeding van het griffierecht van € 51,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 26 maart 2025.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 907,- na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7344

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.G.C. van Ingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Procesverloop

Met het besluit van 5 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten dat zij vanaf 5 september 2024 geen uitkering op grond van de Wet arbeid en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kan krijgen omdat hij voor het einde van de wachttijd hersteld is gemeld.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 17 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft hangende beroep het besluit van 11 februari 2025 genomen. Met dit besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft vanaf 7 maart 2024 doorlopend recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) waardoor hij de wachttijd voor de WIA-uitkering heeft volgemaakt.
Eiser heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan hem is tegemoet gekomen, als hiervoor bedoeld. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.