ECLI:NL:RBDHA:2025:5880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid na opvolgende aanvraag uithuwelijking
Eiseres, een Senegalese vrouw, diende een opvolgende asielaanvraag in met als nieuw motief de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis van haar minderjarige dochter. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000, mede omdat eiseres dit motief niet in haar eerste asielprocedure had genoemd en haar verklaringen onvoldoende samenhangend en geloofwaardig waren.
De rechtbank oordeelde dat het niet aan eiseres kon worden verweten dat zij het motief uithuwelijking niet eerder had genoemd, maar dat zij wel onvoldoende had onderbouwd dat dit motief nieuw was. Ook werd vastgesteld dat eiseres eerder onjuiste verklaringen had afgelegd over haar identiteit en nationaliteit, wat de geloofwaardigheid aantastte.
Hoewel verweerder de rechtgevolgen van het terugkeerbesluit opschortte vanwege het rechtmatig verblijf van eiseres op basis van een Chavez-aanvraag, blijft het terugkeerbesluit geldig. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit, waarbij eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.