ECLI:NL:RBDHA:2025:5900
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 21 maart 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 31 maart 2025. De rechtbank behandelde het beroep op 1 april 2025.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank stelde vast dat eiser de zware en lichte gronden voor de bewaring niet betwistte, en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. Er bestond een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
Eiser voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was omdat het proces-verbaal een onjuiste grondslag vermeldde, maar de rechtbank oordeelde dat de ophouding op de juiste grondslag was gebaseerd, aangezien de verbalisant een fout had gecorrigeerd in het proces-verbaal. Ook stelde eiser dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht omdat geen vertaling van de maatregel was verstrekt, maar de rechtbank vond dat de minister hieraan had voldaan.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.