ECLI:NL:RBDHA:2025:5919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
NL24.51380
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens inwilliging mvv-aanvraag na termijnoverschrijding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor haar en haar drie kinderen. De aanvraag was ingediend op 20 februari 2024, maar de minister besloot pas op 3 februari 2025, waarbij de aanvraag werd ingewilligd.

Omdat de aanvraag alsnog positief is beslist, heeft eiseres geen procesbelang meer bij het beroep, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart. Eiseres had het beroep op 20 december 2024 ingesteld, nadat de beslistermijn was verstreken en zij de minister rechtsgeldig in gebreke had gesteld.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op €453,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €187. De rechtbank motiveert de hoogte van de proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de beperkte aard van het beroep, dat alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard, maar de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51380

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de voor haar en haar drie kinderen ingediende aanvraag van 20 februari 2024 voor een mvv [1] in het kader van nareis.
Met het besluit van 3 februari 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist. De aanvraag is ingewilligd.
Eiseres heeft vervolgens de rechtbank bericht dat zij bereid is om het beroep in te trekken op het moment dat de minister de proceskosten en het betaalde griffierecht heeft voldaan. De rechtbank heeft daarop geen reactie vernomen van de minister. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep niet is ingetrokken.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de mvv-aanvraag van eiseres, dient te worden vastgesteld dat met inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiseres, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Op 20 december 2024 heeft eiseres haar beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. Eiseres heeft de minister ook rechtsgeldig in gebreke gesteld.
3. Omdat eiseres het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar mvv-aanvraag terecht heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast moet de minister op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
 bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.machtiging tot voorlopig verblijf
2.Algemeen wet bestuursrecht