Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, diende op 2 december 2022 een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De minister wees deze aanvraag af op 30 april 2024, omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste, het middelenvereiste en het vereiste van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf.
Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde de afwijzing op 8 augustus 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 5 maart 2025. Tijdens de zitting stelde eiseres dat zij op grond van haar Surinaamse nationaliteit vrijgesteld zou moeten zijn van het inburgeringsexamen, maar kon dit niet met documenten onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste een zelfstandige reden is om de aanvraag af te wijzen en dat de minister dit terecht heeft tegengeworpen. Daarom ging de rechtbank niet in op de overige bezwaren over het middelenvereiste en het verblijfsvereiste. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene is ongegrond verklaard.