Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest om haar bijstandsuitkering per 15 november 2024 in te trekken vanwege het niet verschijnen op meerdere verplichte gesprekken en het niet overleggen van gevraagde stukken.
De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang en constateert dat verzoekster door een dreigende uithuiszetting en betalingsachterstanden voldoende spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening. Verzoekster is echter niet verschenen op de zitting en heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door gezondheidsklachten niet kon verschijnen op de gesprekken.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet, omdat verzoekster het verzuim niet heeft hersteld en dit haar verwijtbaar is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.