ECLI:NL:RBDHA:2025:5954
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking IOAW-uitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om haar IOAW-uitkering per 1 december 2024 in te trekken. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 31 maart 2025 en oordeelde dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster gaf aan geen acute financiële nood te hebben vanwege een ontvangen erfenis, en hoewel zij geen inkomsten meer heeft door de intrekking, is er geen onomkeerbare situatie die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.
Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Verweerder legde uit dat verzoekster niet als werkloze werknemer volgens de IOAW wordt aangemerkt en dat het recht op een WW-uitkering nooit is beoordeeld. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek moet worden afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan op 14 april 2025 en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de IOAW-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.