ECLI:NL:RBDHA:2025:5964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
NL25.801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister wegens niet tijdig beslissen mvv-aanvraag

Verzoeker diende op 7 januari 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 18 maart 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn echtgenote en twee kinderen. De minister besloot uiteindelijk op 19 maart 2025 alsnog op de aanvraag, waarna verzoeker zijn beroep introk.

De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoeker om proceskostenveroordeling van de minister. Gezien het feit dat de minister alsnog heeft beslist na het verstrijken van de beslistermijn, werd geoordeeld dat de minister geheel aan verzoeker is tegemoetgekomen. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelde de minister tot betaling van € 453,50.

De vergoeding is gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het beroep. Daarnaast is de minister verplicht het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 9 april 2025.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.801

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep. Dat beroep was ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 18 maart 2024 voor een mvv [1] voor zijn echtgenote en zijn twee kinderen. Hij heeft het beroep ingetrokken nadat de minister op 19 maart 2025 alsnog op zijn aanvraag heeft beslist.
1.1.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 7 januari 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. De minister heeft op 19 maart 2025 alsnog op de aanvraag beslist. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,= en met wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is, aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. [4] Verzoeker moet zich hiervoor tot de minister wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent) aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.