Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag van 5 juni 2024 voor een machtiging voor voorlopig verblijf. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze verlenging is verstreken zonder besluit. Nadat eiseres de minister verzocht binnen twee weken alsnog te beslissen, bleef een reactie uit, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep ontvankelijk verklaard en gegrond bevonden. Zij heeft de minister opgedragen binnen acht weken na de uitspraak een besluit te nemen. Gezien de grote achterstanden bij de minister acht de rechtbank deze termijn redelijk en zorgvuldig. Daarnaast is een bestuurlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Omdat reeds 42 dagen waren verstreken, is de dwangsom vastgesteld op €1.442.
De rechtbank heeft ook het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na instemming van partijen met een schriftelijke behandeling.