ECLI:NL:RBDHA:2025:5978
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde asielaanvraag en handhaving terugkeerbesluit ondanks gezinsleven in Nederland
Eiser heeft op 3 januari 2024 voor de derde keer een asielaanvraag ingediend, die door de minister op 10 februari 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser wenst verblijf in Nederland om samen te leven met zijn partner en kinderen, en voert angst aan voor militaire dienstplicht en eerwraak in Turkije. De minister stelt dat deze motieven reeds in eerdere procedures als ongeloofwaardig zijn beoordeeld en dat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro over gezinsleven, noch aan artikelen 3 en 5 van het IVRK. Eiser kan een aparte aanvraag indienen indien hij op grond van gezinsleven een verblijfsvergunning wenst. De verwijzingen naar jurisprudentie van het EHRM zijn niet relevant omdat de situatie niet vergelijkbaar is met beëindiging van verblijfsrechten op grond van openbare orde.
De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de asielaanvraag en de handhaving van het terugkeerbesluit en inreisverbod terecht zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Overmars en openbaar gemaakt op 10 april 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit.